Goud

Zoals aangekondigd: Genua. Goed, als gammel bruggetje naar Nietzsche. Ik ben bezig in De levensgevaarlijke jaren, een keuze uit zijn brieven van 1879 tot 1889. Zoals bekend woonde hij eens in de zoveel tijd in Genua of Rapallo, dat daar in de buurt ligt. Interessante materie, uiteraard, maar wat een verschrikkelijke bombast spreidt hij tentoon, althans in het begin, ik heb het nog niet uit. Ik ben net na de breuk met Lou Andreas Salomé, een van de meest tot de verbeelding sprekende verhoudingen – áls er sprake van een verhouding was, waarschijnlijk niet – uit de westerse cultuurgeschiedenis. Tegenover deze 21-jarige Russische stelde hij, bijna twee keer zo oud, zich op als was hij haar leraar, maar ondanks dat hij schrijft dat hij haar niet (erotisch) liefhad, blijkt uit de toon van de brieven dat hij smoorverliefd op haar was. Het een en het ander, liefde en kennisoverdracht, hoeft elkaar natuurlijk niet uit te sluiten. Hoe dan ook, zij was voor hem de aangewezen persoon op wie hij zijn gedachtegoed kon overdragen, voor verbreiding wellicht. Ze wilde wel van hem leren – later zou ze een boek over hem schrijven, voor zover ik me kan herinneren valt ze als schrijver tegen. Ze moet als je de brieven van haar aanbidder leest, hebben gedacht: alles leuk en aardig, maar dit is teveel van het goede, geef mijn portie maar aan Fikkie.

Het is mij onduidelijk wat er zich nu precies tussen hen heeft afgespeeld, hun wederzijdse vriend Paul Rée was er ook bij betrokken. Volgens mij is dat daadwerkelijk in nevelen gehuld. In dit brievenboek staan ontwerpen van brieven aan Lou waarin Nietzsche razend is en waaruit het sentiment van de afgewezen minnaar blijkt – later spreekt hij eerlijk over gekwetste trots en ijdelheid – afgewisseld met wanhoopsbrieven, waarin hij zinspeelt op zelfmoord: 'Vanavond zal ik zoveel opium nemen dat ik mijn verstand verlies.' Ook schrijft hij: 'Geef elkaar toch nadrukkelijk te bedenken dat ik uiteindelijk een halve gekkenhuisbewoner ben die door hoofdpijnen wordt geplaagd en door zijn eenzaamheid volledig in de war is geraakt.' Ik ben nog niet halverwege het boek en hij heeft zich al vaker een 'gek' genoemd. Dat soort ontboezemingen, in hun pathos toch oprecht en vaak aandoenlijk, maken dit brievenboek de moeite waard, het al te menselijke zeg maar, en toch, daar hoort het zielig doen en het gepoch – Rée meende geloof ik dat Nietzsche een narcistische persoonlijkheidsstoornis had – ook bij; misschien is het zelfs juist deze combinatie die deze brieven aantrekkelijk maakt. 

Als Lou van het toneel is verdwenen schrijft hij aan Malwida von Meysenbug: 'Beste vriendin, is er dan niet één mens op aarde die me liefheeft?' Een hartverscheurende zin die duidelijk maakt waar al zijn opgeblazenheid uit voortkomt: diepe eenzaamheid. Later in die decembermaand van 1882, op eerste kerstdag, verzucht hij tegen een vriend dat hij verloren is als hij niet ook ‘uit deze drek goud weet te maken.’ Uit drek goud weten te maken, beter kun je leven en schrijven, die twee zijn soms niet te scheiden, niet beter samenvatten – laten we zijn filosofische werk, het goud, niet vergeten. 

Tot slot toch nog even dit over die wederom tot de verbeelding sprekende waanzin in Turijn in de winter van 1888, de waanzin waarover Georges Bataille opmerkte dat Nietzsche toen pas waarlijk begon te lachen, een mening die ik deel. Het verhaal dat die waanzin veroorzaakt is door syfilis doet nog steeds de ronde, maar is allang achterhaald - ik heb eens gehoord dat men op die manier de nazi’s in deskrediet had geprobeerd te brengen. Nee, nieuwere onderzoeken wijzen op bipolariteit, wat ik helemaal niet zo’n gek idee vind. Also sprach Zarathustra zou te lezen zijn als een psychose. Dat nodigt uit tot herlezen. Aldus, vanaf vandaag, World Bipolar Day, zou ik Friedrich Wilhelm Nietzsche willen beschouwen als gold member van die illustere club van verdoemden én gezegenden tegelijk.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Crème brûlée

Mazzel tov

Sonnenschein